Kies op maat

Inloggen Menu

Digitale didactiek en nieuwe media

De minor ‘digitale didactiek en nieuwe media’ biedt studenten van de lerarenopleidingen en de pabo de mogelijkheid tot een specialisatie gericht op het onderwijs van de 21e eeuw. Wil jij weten hoe je Virtual en Augmented Reality kunt inzetten in je les? Hoe je beeld- en videobewerking kunt jouw onderwijs kan versterken? Of hoe je een digitale leeromgeving kunt implementeren binnen jouw organisatie? Dan is de minor ‘digitale didactiek en nieuwe media’ iets voor jou! 

De maatschappij en het onderwijs zijn volop in ontwikkeling. In alle sectoren van de maatschappij worden nieuwe media benut om kennis te delen en om te communiceren met elkaar. In de minor ‘digitale didactiek en nieuwe media’ (in het vervolg afgekort tot ‘e-minor’) onderzoek je op welke manieren nieuwe media effectief gebruikt kunnen worden om het leren te bevorderen. Dit varieert van het maken van instructiefilmpjes, tot het ontwikkelen van tools die het leren ondersteunen, en van het beheren van databanken tot het inrichten van digitale communicatieplatforms.

In de e-minor krijg je enerzijds een overzicht van de actuele kennis en onderzoeksresultaten binnen de onderwijstechnologie. Anderzijds zul je de verzamelde kennis in praktijk brengen door zelf een ontwikkelproces (in de vorm van een praktijkonderzoek) te doorlopen en te komen tot een onderwijstechnologisch product dat binnen de eigen beroepsomgeving geïmplementeerd en geëvalueerd wordt.

Leerdoelen

Hieronder worden de doelen van de Minor gespecificeerd, waarbij per doel de indicatoren worden vermeld uit de Competentiegids (2e herziene versie, HR 2006) waaraan gewerkt wordt. 
A.   De student heeft een overzicht van de meest actuele kennis over digitale didactiek vanuit het wetenschapsgebied Onderwijstechnologie en kan deze ook toepassen in de eigen praktijk. (Indicator 3.13, 6.10, 7.11, 7.12)
B.   De student kan aan collega’s binnen het eigen beroepenveld een presentatie geven over hoe ICT een bijdrage zou kunnen leveren aan het onderwijs- en trainingsproces. (Indicator 3.11, 3.12, 5.5, 5.15, 7.6)
C.   De student kan binnen de eigen beroepsorganisatie een (voor)onderzoek doen om te inventariseren wat de beginsituatie is en wat de behoeften met betrekking tot ICT toepassingen zijn bij respectievelijk het management, collega’s en leerlingen/trainees. De student kan zich hierbij baseren op de standaarden van het doen van praktijkonderzoek (indicator 1.9, 1.12, 2.1, 2.2, 2.5, 2.14, 3.8, 5.17, 5.23, 7.1)
D.   De student kan een ontwerpvoorstel maken voor een onderwijstechnologische toepassing binnen de eigen organisatie, uitgaande van doelen, eisen  en randvoorwaarden. Het ontwerp moet aansluiten bij de kenmerken en de belevingswereld van de beoogde doelgroep. Tevens moet het ontwerp gebaseerd zijn op actuele kennis over digitale didactiek. (Indicatoren 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.6, 3.7, 3.20, 3.21, 3.26, 4.9, 4.10, 5.6, 5.14, 5.15, 5.16, 5.18, 5.19, 5.20, 5.23, 5.25, 7.4, 7.7, 7.8)
E.   De student kan het gemaakte ontwerp realiseren en zo komen tot een eigen onderwijstechnologisch product. (Indicator 3.10, 3.14, 7.9, 7.10)
F.   De student kan het eigen product implementeren en (digitaal) evalueren binnen de eigen organisatie, waarbij de verschillende doelgroepen worden benaderd (management, collega’s en leerlingen/trainees). (indicator 1.9, 1.12, 3.5, 3.15, 3.17, 4.11, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.24).
G.   De student kan collega’s coachen in het gebruiken van het ontworpen product en kan omgaan met eventuele weerstand van collega’s. (Indicator 5.14, 5.15, 5.16, 5.17, 5.18, 5.26, 5.27)
H.   De student kan het eigen product bijstellen op grond van de evaluatiegegevens. (Indicator 7.1, 7.2, 7.3, 7.5)

Ingangseisen

'De e-minor is bedoeld voor studenten van de lerarenopleidingen en de pabo. Iedere student moet alle stage-onderdelen (jaar 1 t/m 3) uit de educatieve bachelor-opleiding hebben afgerond. Tevens moet de student minimaal 70 studiepunten uit jaar 2 en 3 behaald hebben, waarbij studiepunten voor stages niet worden meegerekend. Voor studenten van een andere educatieve opleiding geldt dat hun studievoortgang aantoonbaar op 75% van het totale studieprogramma moet liggen.

Toetsing

Het kennisgestuurde gedeelte van de Minor wordt afgerond door per module een (kleine) praktijkopdracht in te laten leveren door de leerteams. De kennismodules wordt daarbij afgesloten door een portfolio waarin deze praktijkopdrachten zijn opgenomen. Het behalen van de praktijkopdrachten is een voorwaarde voor het mogen starten van de uitvoering van het praktijkonderzoek.

Het eerste deelproduct dat de ontwikkelteams zullen moeten opleveren is een ‘praktijkonderzoekaanvraag’ die goedgekeurd moet worden door de docent en de minorcoördinator alvorens de studenten het onderzoek daadwerkelijk mogen uitvoeren.

De praktijkopdrachten komen uit scholen uit de regio. In de toekomst kan dit uitgebreid worden met praktijkopdrachten in Belgie, Aruba en Suriname (Paramaribo) vanuit samenwerking met de lerarenopleiding op locatie. Begeleiding vindt dan vooral digitaal plaats en vanuit de locale lerarenopleiding. De student heeft op de overige dagdelen de mogelijkheid om op de  school waar de praktijkopdracht zich afspeelt actief te zijn, mits het een bijdrage heeft in het kader van de doelstellingen van de minor. Het groepje studenten werkt aan dezelfde onderzoeksopdracht, dit kan op dezelfde school zijn dan welk op diverse scholen. Voor het buitenland geldt als voorwaarde dat er als ‘buddy’s gewerkt wordt. Tevens is er de gelegenheid om de praktijkopdracht op een andere type onderwijsinstelling uit te voeren. Bijv. student pabo voert deze opdracht met een student vo uit op een vo school en kan daarbij op een vo school actief zijn gedurende deze minor.

Het praktijkonderzoek wordt afgesloten door het product te presenteren op een gezamenlijk georganiseerde ‘Digitale productenmarkt’. Het motto voor de productenmarkt zal zijn: ‘Laten zien wat je morgen al kunt toepassen in de praktijk’. Per ontwikkel-/onderzoeksteam wordt een scriptie ingeleverd waarin verslag wordt gedaan van de deelproducten (voor de inhoud: zie werkvormen) van het praktijkonderzoek.

Beoordeling vindt plaats aan de hand van de Rubrics diezijn vastgesteld voor de Minors.

Literatuur

Voor het kennisgestuurde gedeelte zijn leerinhouden gearrangeerd en klaargezet in Moodle. Deze leerinhouden behoren tot de verplicht te bestuderen leerstof. Voor sommige keuzemodules is het aanschaffen van bepaalde aanvullende literatuur/werkboeken verplicht.

Rooster

Start in september 2014 – lopend tot en met februari 2015 (Blok 1 en 2).
Studenten zijn twee dagen beschikbaar voor inroostering van bijeenkomsten en activiteiten op de HR. De overige drie werkdagen hebben zij de mogelijkheid om op de minorpraktijk bezig te zijn.