Kies op maat

Inloggen Menu

Proefdierbeheer

De Wet op de dierproeven (Wod) stelt dat dierproeven verboden zijn, tenzij het belang van de dierproef opweegt tegen het ongerief dat het dier zal ondervinden. De wet beschermt de dieren door eisen te stellen aan de huisvesting en verzorging van het dier, maar vooral ook door te eisen dat iedereen die met zijn vingers aan de dieren komt, bevoegd en bekwaam is. Een deel van die bekwaamheid leer je in deze minor.

Het ministerie LNV heeft de minor Proefdierbeheer erkend als opleidingstraject voor studenten die biotechnicus willen worden. Dit werk kan bestaan uit handelingen zoals het toedienen van injecties, afnemen van bloed, opereren, voorbereiden van de ingreep en het dier, verlenen van nazorg en het opstellen van protocollen. In de minor komen ook andere aspecten van het ontwerpen en uitvoeren van dierproeven aan bod. Dat varieert van de onderzoeksopzet tot kwaliteitsgericht beheer van een proefdierfaciliteit.

Je leert welke factoren het welzijn van proefdieren beïnvloeden, en hoe dierenwelzijn van betekenis is voor het behalen van goede onderzoeksresultaten. Voor het verkrijgen van de bevoegdheid, volg je, na het volgen van de theorie uit de minor, een proefdierkundige stage. Deze kan onderdeel van je majorstage zijn. Na het afronden van je bacheloropleiding heb je de bevoegdheid om dierproeven uit te voeren. Met deze bevoegdheid tot biotechnicus kun je je later specialiseren in een bepaald type onderzoek, zoals kanker-, of farmacologisch onderzoek of onderzoek naar hart- en vaatziekten.

In een dierproef is het dier je belangrijkste ‘materiaal’. Een goede kennis van de anatomie, fysiologie is daarom belangijk voor zowel het dierelwelzijn als voor het verkrijgen van goede onderzoeksresultaten. In een opdracht anatomie/fysiologie werk je daarom als groep aan het verbreden en verdiepen van jullie  kennis en inzicht in de anatomie, fysiologie en ethologie van muizen, ratten, vogels en vissen. Om te zorgen dat elke student aan het eind van lesperiode 3 een vergelijkbare basiskennis op het gebied van anatomie/fysiologie, immunologie, microbiologie, (stress)fysiologie en dierenwelzijn/ethologie heeft, werken studenten in deze opdracht ook aan specifieke beroepsgerichte vraagstukken.  Deze groepsopdracht wordt afgesloten met een beoordeling van het groepswerk en een individuele beoordeling op basis van een assessment, deze cijfers vormen samen het cijfer voor de toets Anatomie/fysiologie.

Je practische vaardigheden ontwikkel je tijdens de practica Biotechniek met zowel dode als levende dieren. Voordat je handelingen aan levende dieren mag uitvoeren moet je eerst je vaardigheden op namaak dieren en dode dieren oefenen. Zo leer je eerst hechten op een zeem, daarnaast op een dood dier (tijdens een dissectiepracticum) en pas daarna (tijdens een practicum chirurgie) op een levend dier. De practica die je uitvoert zijn onder andere: hanteren en fixeren van dieren, dissectie, hechten, injecteren, bloedafnemen, aseptisch werken en opereren. Tijdens de practica houd je een portfolio bij en reflecteer je op kennis, vaardigheden en attitude.

In een tentamen Biotechniek wordt de inhoud van onderwerpen zoals biotechniek, anesthesie, analgesie, chirurgie, euthanasie, farmacologie en farmacologisch schriftelijk getoetst

De onderwerpen m.b.t. proefdierkunde, zoals wetgeving, ethiek, proefopzet, diermodellen en ongerief en humane eindpunten worden in het schriftelijk tentamen Proefdierkunde getoetst.

In een groepsopdracht ‘handleiding kwaliteitsbewaking’ verdiep je je in het beheer van een proefdierfaciliteit. Een goed beheer van de microbiologische kwaliteit is nodig om aan de gestelde eisen van standaardisatie te voldoen, ziekte en sterfte te voorkomen, latente infecties te voorkomen en het personeel te beschermen tegen zoËžnosen.
Met betrekking tot de fok van proefdieren en het in stand houden van een dierpopulatie is kennis van genetische standaardisatie van belang. Een beheerder van een (proef)dierfaciliteit moet de kwaliteit van de dieren en de huisvesting kunnen bewaken. In deze groepsopdracht komen aspecten van een kwalitatief goed beheer van een proefdierpopulatie en dierfaciliteit aan de orde.

Voordat een onderzoeker een dierproef mag uitvoeren moet hij/zij daarvoor eerst een vergunning voor aanvragen. In die vergunningaanvraag staat de aandacht voor het belang van het onderzoek, de onderzoeksopzet en alternatieven zoals vervanging, vermindering en verfijning van de dierproef centraal. In een groepsopdracht verdiepen jullie in alle bijbehorende aspecten (zoals alternatieven, proefopzet en ethiek) van het proces voorafgaande aan de uitvoering van een dierproef. Het cijfer van de groepsopdracht vormt het cijfer van de toets ‘Dierproef en alternatieven’.

Leeruitkomsten:
De student voert verantwoord en adequaat biotechnische handelingen uit. Hij bereid deze handelingen voor; en kan een inschatting maken van de impact op het dier. Hij draagt bij aan het opzetten en uitvoeren van onderzoek en het borgen van dierenwelzijn. De student vervult een spilfunctie: hij communiceert met onderzoekers en labmedewerkers, dierverzorgers en de Instantie voor dierenwelzijn ( IvD). Binnen zijn takenpakket kunnen ook advies- en beheerstaken vallen.

Leerdoelen

De student:

1 Kan nationale en Europese wetgeving en leidraden inzake het gebruik van dieren in onderzoek en onderwijs toepassen in praktijksituaties.

2 Kan ethische kwesties en kwesties op het gebied van dierenwelzijn in kaart brengen en kunnen op basis daarvan een ethische afweging maken.

3 Kan het belang van vervanging, vermindering en verfijning (3V’s) beschrijven en bespreken, als leidend beginsel voor het gebruik van dieren in wetenschappelijke procedures.

4 Kan het begrip ongerief toepassen op het gebruik van dieren in onderzoek en onderwijs en kunnen aangeven hoe in een bepaalde situatie lijden vermijdbaar is.

5 Heeft inzicht in belang van welzijn, kan hier informatie over opzoeken en kan deze toepassen op onderzoek, gezondheid en verzorging, rekening houdend met wet- en regelgeving.

6 Heeft inzicht in het kwaliteitsgericht beheer van een dierfaciliteit en een dier-populatie.

7 Kan eenvoudige dierexperimentele handelingen opzetten en uitvoeren.

8 Heeft kennis en inzicht in de principes van anesthesie en analgesie en kan deze veilig toepassen.

9 Heeft kennis en inzicht in de basisprincipes van de chirurgie en peri-operatieve zorg en kan dan deze toepassen.

10 Heeft kennis en inzicht in de basisprincipes van euthanasie m.b.t dierenwelzijn, experiment en veiligheid.

11 De student kan een dissectie uitvoeren, organen herkennen en vrijprepareren en de tekenregels toepassen.

12 Kan de basis en relevante anatomie, fysiologie, voorplanting en het gedrag van de betreffende diersoorten beschrijven.

13 Heeft kennis van en kan basis farmacologische kennis m.b.t. farmacodynamiek en kinetiek toepassen.

14 Kan eenvoudige farmacologische berekeningen uitvoeren.

15 Kan toegepast onderzoek opzetten, uitvoeren en analyseren.

16 Kan over dierproeven en diergebruik effectief communiceren en adviseren.

17 Kan reflecteren op zijn competenties als onderzoeker, biotechnicus, lid IvD, ethicus en kwaliteitsmedewerker.

Ingangseisen

  • Alleen studenten die de bevoegdheid tot Biotechnicus willen behalen zijn toelaatbaar tot deze minor.
  • Major DAM, de modulen van de major moeten gevolgd zijn. Studenten die niet een, met examen Havo N&G vergelijkbare vooropleiding hebben, moeten deficiënties op diverse gebieden wegwerken met behulp van een doorlopende werklijn waarin colleges over de verschillende vakgebieden worden aangeboden. Voor het bijspijkeren van de chemische kennis, is er in samenwerking met de STA een cursus chemie ontwikkeld.
  • Opleiding Biotechnologie met major Biomedical Research (van NHL/VHL), of HLO B&M , na een intakegesprek. Opleiding Forensisch laboratorium onderzoek (FLO) alleen na een intakegesprek en een toelatingstoets anatomie/fysiologie. Major TDW van VHL alleen na een intakegesprek en toelatingstoets celbiologie.
  • Externe instroom alleen mogelijk indien de bachelor van de student/cursist relevant is voor het proefdierkundig werkveld; en de minor relevant is voor de student/cursist; en de student/cursist over voldoende biologische basiskennis beschikt. Evt. wordt een toelatingstoets afgenomen. Over de toelating van studenten van andere opleidingen wordt individueel besloten.

Extra voorwaarden voor deze minor en eisen aan de toetsen

  • Voor het voor het verkrijgen van de bevoegdheid Biotechnicus volgen studenten ook een proefdierkundige stage. Deze kan onderdeel van de majorstage zijn. Studenten mogen pas aan de proefdierkundige majorstage beginnen als alle modulen van de minor zijn gevolgd.
  • Aan de minor zijn kosten verbonden. In verband met de hoge kosten die deze minor met zich meedraagt (denk aan practica operatietechnieken, dieren, begeleiding en vergunningen) wordt een eigen bijdrage van €500 van elke student gevraagd.
  • De minor leidt op tot bevoegde biotechnici. Voor het verkrijgen van de bevoegdheid stellen we eisen aan biotechnische basisvaardigheden en de juiste attitude. Studenten die niet aan de eisen voldoen verkrijgen de bevoegdheid niet.
  • Studenten die voor het Practicum biotechniek 1 geen voldoende halen mogen niet deelnemen aan het Practicum biotechniek 2. Daarnaast is er een beperkt aantal herkansingen voor practica met levende dieren.
  • Er kunnen slechts 16 studenten deelnemen aan deze minor.

Documenten aanleveren voor ingangseisen:
- Motivatiebrief 
- CV

Literatuur

Verplicht:
Proefdieren: Zorg, Kwaliteit en biotechniek Azuwerus Van Buiten, Pascalle Van Loo, et al. | 24 oktober 2022.
Dit is een standaard werkboek in het proefdierkundig werkveld. Ook na je studie zal je dit boek nog vaak gebruiken.

Campbell Biology, 12e global edition

Informatie komt op Moodle:
Boek farmacologie
Basis snijset

Rooster

Totaal aantal uren:                        840

Anatomie/fysiologie :                   196
Tentamen biotechniek:                140
Practicum biotechniek 1:             84
Practicum biotechniek 2:             56
Kwaliteitsbewaking:                   84
Dierproef en alternatieven:         196
Tentamen proefdierkunde:          84

Specificatie werkvormen:

Anatomie/fysiologie:
Begeleiding 20 uur
Hoorcolleges, werkcolleges/practica; de inhoud en omvang is 10 uur afhankelijk van de major
Groepswerk 126 uur
Zelfstudie voor assessment 40 uur.

Tentamen Biotechniek:
Hoorcolleges 30 uur
Zelfstudie en tentamen 110 uur

Practicum Biotechniek 1 en 2:
Practicum 90 uur
Begeleiding en instructie 10 uur
Voorbereiding en reflectie 40 uur

Tentamen Proefdierkunde:
Hoorcolleges 20 uur
Zelfstudie en tentamen 64 uur

Kwaliteitsbewaking:
Hoor/werkcolleges, instructie en begeleiding 30 uur
Groepswerk 54 uur

Dierproef en alternatieven:
Hoor/werkcolleges 22 uur
Instructie, begeleiding en feedback 10 uur
Groepswerk 164 uur

Toetsing

TOETS-01 Anatomie/fysiologie - Individueel cijfer - weging 7 - opdracht

TOETS-02 Tentamen biotechniek - individueel cijfer - weging 5 - tentamen

TOETS-03 Practicum biotechniek 1- individueel - weging 3 - practica

TOETS-04 Practicum biotechniek 2 - individueel - weging 2 - practica

TOETS-05 Kwaliteitsbewaking - groepsbeoordeling- weging 3 - verslag

TOETS -06 Dierproef en alternatieven - groepsbeoordeling - weging 7 - rapport

TOETS-07 Tentamen proefdierkunde - individueel cijfer - weging 3 - tentamen